'); } catch (err){}
Het aantal Wajongers groeit nog steeds fors. Om daar wat aan te doen moet je jong beginnen. Denk aan betere opvoedingsondersteuning en beter onderwijs. Om meer jonggehandicapten aan het werk te helpen, zijn echter rigoureuze maatregelen nodig.
|
Sinds 1995 komen er elk jaar meer jongeren met een beperking in de Wajong. De laatste tijd gaat dat vooral om jongeren met een lichte verstandelijke beperking en/of gedragsmoeilijkheden. Een beperking waarmee je vroeger meedeed in de maatschappij, vormt op school en in werk tegenwoordig een belemmering om mee te doen. In 2009 kwamen er bijna 18.000 jonggehandicapten met een uitkering bij; 1 op de 12 à 13 jongeren dreigt uiteindelijk een Wajong-uitkering te krijgen.
Het totaal aantal Wajongers groeit naar 240.000 in 2015 en misschien wel 400.000 op langere termijn. Een ware tijdbom. UWV en het ministerie van SZW verwachten een daling van de instroom door de aanscherping van de Wajong in 2010. Die daling is echter allerminst zeker en kan bovendien teniet gedaan worden door de stijging van het aantal leerlingen in het speciaal en praktijkonderwijs. Die hebben namelijk een grote kans op Wajong.
De kans op werk voor deze jongeren is bovendien klein. De crisis heeft hier geen goed aan gedaan.
Hoe krijgen we meer jonggehandicapten aan het werk en minder in de uitkering? Bij jonggehandicapten van 18 die voor de Wajong gekeurd worden, is dat nog moeilijk te bereiken. Dat kan en moet veel vroeger, blijkt uit onderzoek van TNO. Samen met de Argumentenfabriek beschreef TNO in een “factorenkaart” het complex aan factoren die bij jeugdigen met een beperking en tussen 0 en 18 beïnvloeden of ze later werken of een uitkering krijgen. Het gaat om factoren op het niveau van de jongere en zijn ouders, maar ook om zaken als de kwaliteit van zorg, onderwijs, arbeid en inrichting van ons sociale-zekerheidssysteem.. De beste kansen voor preventie lijken te liggen bij opvoeding, zorg en school. Het gaat enerzijds om het voorkómen of verminderen van de gevolgen van beperkingen en anderzijds om zo goed mogelijk voorbereiden van de jongeren op betaald werk.
Voor kinderen met gedragsmoeilijkheden blijkt minder problematiseren en meer bijsturen door opvoeding een goede aanpak. Door vroeg te signaleren dat het niet goed gaat met een kind en laagdrempelige zorg dicht bij school en huis kun je jongere en ouders helpen de situatie aan te kunnen. De (jeugd)zorg moet erop sturen dat de hulpverlening bijdraagt aan de participatie van de jongere. De recente plannen van Rouvoet voor laagdrempelige jeugdzorg, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van gemeenten, lijken een stap in de goede richting. In het onderwijs ligt de oplossing in meer handen voor de klas en scholing van docenten in omgaan met afwijkend gedrag. Daardoor is minder verwijzing naar het speciaal onderwijs nodig. Het advies van de Onderwijsraad van februari, dat terugkomt in de heroverwegingsplannen, sluit hierbij aan. Daarnaast moeten deze scholen veel beter toegerust worden om hun leerlingen effectief richting arbeidsmarkt te helpen.
Ook de Wajong zelf kan verantwoordelijk zijn voor de toename. Wetgeving gericht op een specifieke doelgroep, heeft een aanzuigende werking én geeft de groep een stempel. De nieuwe Wajong van 2010 bevat wel meer prikkels om de jongere te stimuleren om betaald te werken. Het UWV spant zich ook extra in om de jongeren aan het werk te helpen.
Er zijn echter structureel te weinig banen voor deze jongeren. De overheid zou ‘sociaal ondernemen’ moeten stimuleren en werkgevers moeten verplichten om werk- en stageplekken aan deze jongeren te geven. Dat kan via een clausule bij aanbestedingen van de overheid (“sociaal aanbesteden”). Werkgevers die via stage ervaring krijgen met Wajongers blijken veel eerder bereid deze jongeren aan te nemen. Mogelijk zijn er rigoureuzere maatregelen nodig, zoals verplicht aannemen van een bepaald percentage Wajongers. Dat heeft weliswaar ook nadelen voor jonggehandicapten en werkgevers, maar die moeten we op de koop toenemen om meer participatie mogelijk te maken.