Dierproevenbeleid

Veilig en gezond voedsel, medicijnen, consumentenproducten en huishoudelijke chemicaliën, zowel thuis als op het werk. Dat vinden we allemaal belangrijk. Onderzoek bij TNO draagt bij aan het ontwikkelen van deze producten en helpt ons te voorspellen of stoffen veilig en effectief zijn. Soms zijn dierproeven een noodzakelijk onderdeel van dit onderzoek. Deels door wettelijk gestelde eisen en deels omdat er nog geen alternatieven bestaan.

Ons dierproevenbeleid

We hebben een zorgvuldig dierproevenbeleid geformuleerd, met als uitgangspunten:

  • we voeren alleen dierproeven uit als dat voortvloeit uit wettelijke eisen of als er geen betrouwbare alternatieven beschikbaar zijn
  • we leveren een actieve bijdrage aan het ontwikkelen en toepassen van alternatieven voor dierproeven (de drie V’s: Vermindering, Verfijning, Vervanging)
  • we houden ons uiteraard strikt aan de wettelijke regels en voorschriften

Intrinsieke waarde van dieren

We hechten veel belang aan de intrinsieke waarde van elk afzonderlijk dier. Daarom hebben alle experimenten een ethische toetsing en staat zorgvuldige behandeling van de proefdieren voorop.

Dierproeven zijn alleen geoorloofd als er geen geschikt alternatief is en het doel van het onderzoek zwaarder weegt dan de eventuele ongemakken die het dier kan ondervinden. Dit besluit wordt voor ieder afzonderlijk onderzoek genomen, waarbij de ethische afweging van de noodzaak wordt afgewogen. Het dierenwelzijn wordt gewaarborgd volgens nauwgezette wetgeving door een onafhankelijke Dier Experimenten Commissie.

Daarnaast nemen we actief deel aan de maatschappelijke discussie over het gebruik van proefdieren. We zijn goed op de hoogte van ontwikkelingen op het gebied van proefdiergebruik die bijdragen aan minder proefdieren of betere levensomstandigheden en zijn erop gespitst dit ook zelf toe te passen.

Ons beleid

Ons beleid voor het gebruik van proefdieren is onderdeel ons van TNO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen-beleid en is de officiële richtlijn voor het TNO management en onze werknemers. Een werkgroep gericht op dierproeven en alternatieven evalueert het beleid jaarlijks en rapporteert direct aan de TNO Raad van Bestuur.

Dierenwelzijn

Proefdieren hebben gedurende hun hele leven recht op optimale verzorging. We beamen de visie dat bepaalde omstandigheden het gebruik van proefdieren rechtvaardigen. Ook realiseren we ons dat de onderzoeker en de TNO Raad van Bestuur door het uitvoeren van dierproeven verantwoordelijk zijn voor de ethische overwegingen en het dierenwelzijn. De instantie voor Dierenwelzijn van TNO waarborgt samen met betrokken medewerkers een ‘culture of care’ rondom proefdieren.

Vermindering, vervanging en verfijning

Dierproeven zijn alleen geoorloofd als een geschikt alternatief ontbreekt en het doel van het onderzoek zwaarder weegt dat het ongerief dat de dieren kunnen ondervinden. De hoofdprincipes zijn de vermindering, verfijning en vervanging van dierproeven (3V). We opereren binnen de grenzen van relevante wetgeving en, waar van toepassing, volgens kwaliteitscriteria zoals van de Association for Assessment and Acrreditation of Laboratory Animal Care (AAALAC).

Continu verbeteren van methoden

Dierproeven hebben vooruitgang mogelijk gemaakt op wetenschappelijk gebied en in humane gezondheid en welzijn. Ondanks dat is er in het werkveld behoefte aan methoden waarvan de voorspellende waarde voor de mens, oftewel patiënt, beter is onderbouwd. Verbeteringen van huidige methoden zijn mogelijk door het ontwikkelen en toepassen van innovatieve 3V-methoden. Deze gedachte is verankerd in ons beleid, onze onderzoeksprogramma’s en communicatie.

Beleidsnota

De TNO beleidsnota voor dierproeven en alternatieven bevat ook instructies voor gerelateerde onderwerpen. Zoals het trainen van personeel, onderwijs, faciliteiten, transparantie en verantwoordelijkheid. In januari 2018 hebben we het beleid herzien, zodat deze gelijk loopt aan de TNO strategieperiode 2018 - 2021.

Download de beleidsnota proefdieren en dierproeven (pdf) (pdf)

Evaluaties en jaarverslagen

Al sinds 1985 evalueert een toegewijde, onafhankelijke dierexperimentencommissie alle testen waarbij dieren betrokken zijn. Eind 2014 is de Wet op de Dierproeven aangepast en sindsdien brengt deze commissie haar advies uit aan de Centrale Commissie Dierproeven. Het jaarverslag van 2014 is daarmee het laatste verslag dat de dierexperimentencommissie aan TNO heeft uitgebracht.

Onze ambitie

Onze ambitie is het uitvoeren van excellent biomedisch onderzoek om de gezondheid van de mens te verbeteren. Hiervoor worden zowel klinische als preklinische technologieën ontwikkeld en toegepast. Bij preklinische technieken zoals in silico, in vitro en proefdieren, staat de voorspellende waarde voor de mens centraal.

Nieuwe 3V-methoden

Het is onze ambitie om nieuwe innovatieve 3V-methoden te ontwikkelen en om deze methoden sneller te laten accepteren voor toepassing. Daarom betrekken wij en werken wij samen met alle relevante partijen waaronder academici, wet- en regelgevers, overheid en de industrie. We zetten eigen onderzoeksmiddelen in voor vervanging, verminderen en zeker ook verfijning van dierproeven.

Transparantie en communicatie

Transparantie en communicatie zijn voor ons van essentieel belang. We geven heldere informatie over onze activiteiten en positie op het gebied van dierproeven, om een dialoog op gang te brengen op basis van wederzijds respect.

Deze dialoog wordt versterkt door het objectief uitwisselen van informatie (zonder het aantasten van de veiligheid van onderzoekers en proefdieren of de vertrouwelijkheid van de onderzoeksgegevens), en maximale transparantie. In 2010 hebben we ons gecommitteerd aan de Code Openheid Dierproeven. Centraal in deze code staat dat we de dialoog aangaan met de verschillende stakeholders over alle aspecten van proefdiergebruik.

Publicaties

We publiceren transparant en systematisch over onze dierproeven, zoals recent vastgelegd in de ARRIVE-richtlijn (Animal Research: Reporting of In Vivo Experiments) en de ‘golden standard checklist’.

Ook hebben onze medewerkers de ‘Montréal Declaration on the Synthesis of Evidence to Advance the 3Rs Principles in Science (pdf, 582 kB)’ onderschreven. Daarnaast bevatten onze op dierproeven gebaseerde publicaties de volgens internationale richtlijnen essentiële informatie om herhaling van dierproeven te voorkomen en meta analyses mogelijk te maken.

Innovaties waaraan we bijdragen

Nederland wil voorloper zijn in de internationale transitie naar proefdiervrije innovatie. We werken samen met bedrijven, overheden, academische instellingen en maatschappelijke organisaties aan deze transitie door het ontwikkelen en toepassen van technologieën die hieraan bijdragen. Zo werken we samen met onze partners aan het door de Rijksoverheid geïnitieerde Transitie Proefdiervrije Innovatie-traject (TPI), met als doel deze in een hogere versnelling te krijgen.

De transitie naar proefdiervrijonderzoek versnellen

We willen de transitie naar proefdiervrijonderzoek versnellen en werken daarvoor aan nieuwe technologieën:

  • Organ-on-a-chip’, hierop worden menselijke stamcellen gekweekt waarmee specifieke orgaanfuncties van de mens worden nagebootst.
  • ‘Microtracing’, ook wel ‘microdosing’ genoemd, is een hoog-specialistisch techniek waarbij zeer kleine, niet schadelijke hoeveelheden geneesmiddelen bij mensen worden toegediend. Het kan helpen om te onderzoeken wat het menselijk lichaam met het medicijn doet, en andersom
  • In Silico systemen.
  • Onderzoek met ex-vivo humaan materiaal.

Han van de Sandt, hoofd Metabolic Health Research van TNO, legt uit: ‘Onze rol als TNO is om ‘beyond the hype’ te kijken, door wetenschappelijke onderbouwing van nieuw onderzoek aan te pakken. En het aanbod van innovaties te matchen met de industriële vraagstellingen door de contacten met het bedrijfsleven om daarmee de implementatie in de praktijk de bewerkstellingen.’

Microdosing

Met geavanceerde technologie is het mogelijk om de kinetische gegevens van nieuwe geneesmiddelen en innovatieve voedingsingrediënten sneller te verzamelen dan nu het geval is. Zo wordt de behoefte aan dierproeven voorafgaand aan de klinische fase sterk vermindert.

We voeren dit onderzoek uit met behulp van een Accelerator Mass Spectrometer (AMS). Dat is een instrument dat microdosing-studies in de mens ondersteunt en bij TNO aanwezig is. In Europa is TNO de eerste organisatie die AMS-diensten beschikbaar maakt voor farmaceutische, biotech en innovatieve voedingsbedrijven.

Alternatieven voor dierproeven

We streven naar het verminderen, verfijnen en vervangen van dierproeven en hebben daarvoor een onderzoeksprogramma opgesteld. Wanneer we manieren hebben gevonden om onderzoeksmethoden te verbeteren, wordt het onze hoogste prioriteit om brede acceptatie te verkrijgen en deze 3V-verbeteringen daadwerkelijk uit te voeren.

Vermindering

We streven ernaar om het aantal proefdieren te verminderen. We evalueren regelmatig onze testmethoden en voeren geïntegreerde teststrategieën uit. Zo bepalen we of dierproeven nodig zijn of dat dezelfde informatie op een andere manier opgedaan kan worden. Daarnaast wordt voor experimenten waarbij alleen weefsel van proefdieren nodig is (maar niet het intacte dier) gebruik gemaakt van dieren uit andere experimenten of uit controle groepen (binnen of buiten TNO), zodat proefdieren zo optimaal mogelijk gebruikt worden.

Verfijning

We streven ernaar om testmethoden zodanig te ontwikkelen en aan te passen dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak en stress ondervinden. Dit doen we onder andere door gebruik te maken van de meest moderne technieken en het continu optimaliseren van geschikte humane en experimentele eindpunten.

Vervanging

We streven ernaar om dierproeven te vervangen door andere methoden, bij voorkeur door gebruik te maken van menselijk weefsel en menselijke cellen. Waar mogelijk gebruiken we menselijke monsters. Voorbeelden hiervan zijn:

  • TIM: unieke maagdarmmodellen van TNO voor onderzoek naar de vertering van voedingsmiddelen of kinetiek van geneesmiddelen. Daarmee proberen we dierproeven door alternatieve onderzoeksmethoden te vervangen.
  • Een test om de effecten van (chemische) stoffen op oogirritatie te bepalen. Deze methode maakt gebruik van ongebruikt weefsel van kippen van slachthuizen in plaats van levende dieren. Dit is formeel geaccepteerd door de OECD, een internationale organisatie voor samenwerking en economische ontwikkeling.

Aanmoedigen werknemers

Bij TNO koesteren we een stimulerende omgeving waarin onze werknemers aangemoedigd worden om eigen ideeën in te brengen om onderzoek diervriendelijker te maken. Als een methode zorgt voor verbetering met behoud van dezelfde onderzoeksresultaten, dan maken wij de nieuwe methode beschikbaar voor anderen.

Bekroond

In 2010 ontvingen we onze eerste prijs van de Nederlandse Commissie ter Vervanging, Verminderen en Verfijning van Dierproeven. Dit was voor onze inspanningen voor minder ongemak bij dieren tijdens inhalatietesten. Onze aangepaste opzet draagt bij aan vermindering van het ongerief van 50 tot 70 procent van de 500 tot 700 ratten die bij TNO jaarlijks aan een inhalatoir worden blootgesteld (ongerief is vermindert bij met name jonge en vrouwelijke dieren).

Dit is een verbetering van de commercieel beschikbare materialen. De fabrikant heeft zich bij ons gevoegd om te kijken naar de mogelijkheden om de aangepaste materialen voor andere gebruikers beschikbaar te maken.

Imaging

‘Imaging’ wordt gebruikt als diagnostisch instrument in ziekenhuizen, om veranderingen over een bepaalde periode te monitoren. Maar het ontwikkelt zich steeds verder en onze wetenschappers onderzoeken hoe imaging dierproeven kan verfijnen of verminderen. Met imaging kan een proefdier over een bepaalde periode worden gevolgd. Zo kunnen de effecten van een ziekte of behandeling in verschillende stadia worden bekeken.

Daarnaast is imaging doorgaans minimaal invasief, wat stress en ongemak bij proefdieren vermindert en de studieresultaten ten goede komt. Uitgebreider onderzoek is nodig voor het toepassen van imaging en de bijkomende voordelen.

Onze samenwerkingen

Om ervoor te zorgen dat partijen die betrokken zijn bij wet en regelgeving anders gaan denken over dierproeven en alternatieven, is het essentieel om een breder perspectief te overwegen. Het hele gebied dient de denkrichting te veranderen. Een organisatie kan daarbij een veranderingskatalysator zijn. Daarom nemen we deel aan diverse groepen om een dialoog te stimuleren en manieren te vinden om de 3V-principes te laten slagen.

Intensieve interactie tussen industrie, academia, overheden en regulatoire autoriteiten is nodig om acceptatie en validatie van alternatieven te versnellen. We hebben verstrekken proactief informatie middels wetenschappelijke publicaties en voordrachten. Hier volgen een aantal voorbeelden van ons netwerk.

Nationale platforms

We nemen deel aan:

  • Het Nationaal Kenniscentrum Alternatieven (NKCA).
  • Dialoog en TRAIN (Three R’s Alternatives Initiating Network).
  • Discussiegroepen met andere geïnteresseerden, waaronder dierenbeschermingsorganisaties en politieke partijen, met als doel om elkaars mening over dierproeven te delen, respect te creëren en gezamenlijke doelstellingen te verkennen.

Internationale platforms

Onze medewerkers zijn ook actief in diverse internationale platforms:

  • Europese en Nationale autoriteiten, zoals de Europese autoriteit voor Voedsel Veiligheid (EFSA) en de Gezondheidsraad.
  • De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelt internationale eisen voor onder andere veiligheidstesten. Onze werknemers zijn betrokken bij verschillende werkgroepen. Wat betreft de 3V's, heeft de OESO officieel alternatieve proeven erkend, zoals de Inoculated Chicken Eye test (ICE).
  • Europese en Nationale verenigingen die de ontwikkeling en het gebruik van alternatieven voor dierproeven stimuleren, zoals IVTIPINVITROM en ESTIV.

Samenwerkingsprojecten

We werken in diverse projecten samen met verschillende schakels uit de keten. Bijvoorbeeld in het Pieken in de Delta-project genaamd SLIM (Sneller van Innovatie naar Mens).

Dit is in opdracht van de Gemeente en Provincie Utrecht en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en richt zich erop om innovatieve voedsel en geneesmiddelen sneller van het laboratorium naar de kliniek te brengen.

Het doel is om goede praktijken te ontwikkelen om sneller acceptatie te verkrijgen voor het toepassen van alternatieve testmethodes.

Onderwijs

Jonge wetenschappers zijn de sleutel tot de toekomst van de wetenschap en het 3V-onderzoek. Voor de verdieping in de opleiding van jonge wetenschappers, ondersteunen we 2 universitaire leerstoelen: Alternatieven voor Dierproeven aan de Hogeschool Utrecht en Translationele Toxicologie bij de Universiteit Wageningen.

Feiten en cijfers

De uitvoering van dierproeven wordt met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gedaan. Over de afgelopen 35 jaar is het gebruik van proefdieren in Nederland meer dan gehalveerd. Ook bij TNO zijn de aantallen gebruikte proefdieren beduidend verminderd. Na een sterke daling in 2013, dankzij een herzien fokbeleid, blijft ons aantal proefdieren de afgelopen jaren stabiel. Al was er het afgelopen jaar vanwege COVID-19 een tijdelijke afname in het aantal proefdieren te zien.

Diersoorten

Overzicht van totaal aantal TNO dierproeven per jaar vanaf 2015
2015 2016 2017 2018 2019 2020
3247 3032 2636 3180 2758 2102

De keuze voor een diersoort voor toepassing in een dierproef is afhankelijk van de voorspellende waarde voor de mens. Dit zijn hoofdzakelijk knaagdieren (muizen, ratten en cavia’s) vanwege de ruime beschikbaarheid van historische data en bewezen transleerbaarheid van de gebruikte modellen.

Maar knaagdieren zijn niet altijd het beste model voor de mens en daarom worden soms andere diersoorten ingezet. Zo is in 2020 een klein aantal varkens als diermodel gebruikt. Door het inzetten van beter transleerbare modellen worden onnodige dierproeven voorkomen.

Knaagdieren

Diersoorten gebruikt voor experimenteeel onderzoek binnen TNO
Diersoort Aantal dieren Percentage
Muis 1930 91,8%
Rat 115 5,5%
Cavia 53 2,5%
Varken 4 0,2%
Totaal 2102 100%

In 2020 hebben we voornamelijk knaagdieren gebruikt in onderzoek, namelijk muizen (92 procent), cavia’s (3 procent) en ratten (6 procent). Meer dan driekwart van de muizen zijn transgene muizen. Deze dieren zijn uitgerust met een menselijk gen. Er is met deze transgene muizen veel onderzoek verricht zodat bekend is voor welke aspecten van menselijke ziekten ze geschikt zijn, en welke niet.

Focus op efficiëntie

We fokken de speciale muizen zelf en letten hierbij op dat de dieren die geboren worden zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit doen we onder andere door de fok centraal te coördineren, waarbij we ook zijn aangesloten bij een landelijk netwerk van fokcoördinatoren, om vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Zo wordt een fokoverschot zo veel mogelijk vermeden.

Effectieve samenwerkingen

Indien voor onderzoek organen of weefsels van dieren nodig zijn, doen we er alles aan om het speciaal hiervoor doden van dieren te voorkomen. Zo hebben we een samenwerkingsovereenkomst met meerdere slachthuizen voor het leveren van vers varkensweefsel. Ook hebben we een samenwerkingsovereenkomst met de Universiteit Utrecht en andere instituten in Nederland voor het verkrijgen van organen en weefsels van dieren die zijn gedood ten behoeve van de opleiding van dierenartsen of die eerder in studies zijn gebruikt.

Door deze samenwerkingen verkregen we weefsel voor de proef, zonder daarvoor extra dieren te doden. Dit is bijvoorbeeld ingezet voor onderzoek naar opname van stoffen door de darm, waar onder andere vers darmmateriaal voor nodig is. In 2020 hebben we darm- of levermateriaal ontvangen vanuit andere instituten of slachthuizen van 53 varkens, 4 honden en 5 ratten.

Daarnaast werken we samen met ziekenhuizen, waardoor we regelmatig vers humaan materiaal kunnen gebruiken voor onderzoek. We zijn actief binnen het nationale project VitalTissue, een initiatief dat onderzoekers in Nederland helpt aan vitaal menselijk restweefsel. Naast de verbeterde transleerbaarheid van onderzoeksresultaten wordt op deze manier bijgedragen aan de vermindering van dierproeven.

Doelen van de dierproeven

We doen bij TNO onderzoek naar maatschappelijke vraagstukken. De resultaten daarvan worden ingezet voor het genezen en voorkomen van aandoeningen en ziektes zoals metabole syndromen, overgewicht of hart- en vaatziekten. Ook onderzoeken we het herstel bij acute intoxicaties en het reduceren van eventuele gevolgschade. De dierproeven hebben als doel:

Toegepast en translationeel onderzoek (85 procent) Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek (13 procent) Onderwijs (2 procent)

Toegepast onderzoek

Het grootste deel van de dierproeven (85 procent) gaat over de werkzaamheid (effectiviteit) van geneesmiddelen of therapieën. Ons toegepaste onderzoek is grotendeels naar metabole ziektes en bescherming tegen intoxicaties.

Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek

Naast toegepast onderzoek doen we ook fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar mechanismen van ziekten (13 procent).

Onderwijs

Voor het scholen en blijvend trainen van personeel, het verfijnen van onderzoekstechnieken, en het implementeren van nieuwe onderzoekstechnieken-en modellen, worden op kleine schaal proefdieren gebruikt (onderwijsdoeleinden: 2 procent).

Aantal dieren ingezet voor de verschillende onderzoeksdoelen binnen TNO
Doel Aantal dieren Percentage
Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek 270 13%
Toegepast en translationeel onderzoek 1785 85%
Onderwijs 47 2%
Totaal 2102 100%

Deskundig geschoold personeel draagt direct bij aan een verantwoord proefdiergebruik. Van belang is dat het hier meestal dieren betreft, die niet speciaal voor dit doel zijn aangekocht, maar die aanwezig waren in de faciliteit en niet meer ingezet konden worden in andere experimenten.

Voorafgaand aan dierproeven

Voordat dieren worden ingezet, wordt eerst gezocht naar een vervangende oplossing. Is het gebruik van dieren onvermijdelijk? Dan wordt bekeken of het onderzoek met minder dieren uit te voeren is, of methodes zijn te verfijnen. TNO voldoet ook aan de kaders gesteld in de Wet op de Dierproeven (WoD) rondom het interne toezicht op de dierproeven.

Instantie voor Dierenwelzijn

Een instantie voor dierenwelzijn (IvD) is ingesteld binnen TNO. Deze toetst of de experimenten bijdragen aan het gestelde doel uit de vergunningen. IvD houdt ook toezicht op de werkvloer en is een vraagbaak. De voorzitten van de IvD Maakt geen deel uit van de afdelingen die dierproeven verrichten. Zo is een extra onafhankelijkheidsstap ingeregeld.

Ongerief voorkomen

Als dierproeven noodzakelijk zijn, streven we naar zo min mogelijk ongerief voor dieren en zo min mogelijk benodigde dieren. In de meeste gevallen ondervinden de proefdieren licht of matig ongerief. Waar mogelijk verminderen we dit, bijvoorbeeld eerdere humane eindpunten, betere leefomstandigheden (zoals kooiverrijking), betere testmethoden of het toepassen van pijnbestrijding.

Classificaties

In een beperkt aantal studies wordt een dier onder narcose gebracht ten behoeve van de proef, en is het voor het bereiken van de resultaten niet nodig de dieren te laten ontwaken. De dieren ondervinden op deze wijze zo min mogelijk ongerief. Dergelijke studies worden daarom internationaal apart geclassificeerd als ‘Terminaal’.

Bij TNO betreft dit zo’n 1,6 procent van de dierproeven. Overige dierproeven worden volgens de algemene richtlijnen geclassificeerd als licht, matig of ernstig ongerief.

Licht ongerief

Bij 74 procent van de dierproeven is sprake van licht ongerief. Een voorbeeldtype test die valt in de categorie ‘licht ongerief’ is het voeden van dieren met een specifiek dieet, bijvoorbeeld een hoog of laag vet dieet. De dieren ondervinden hier geen hinder van, maar worden bijvoorbeeld wel af en toe gewogen.

Matig ongerief

Bij 24 procent van de dierproeven is sprake van matig ongerief. Het is dan bijvoorbeeld noodzakelijk om de dieren wekelijks en gedurende een langere periode met een te onderzoeken stof te injecteren, regelmatig bloedmonster af te nemen, of de dieren onder verdoving aan een lichte ingreep te onderwerpen. Indien mogelijk worden procedures gecombineerd om het aantal ingrepen per dier te verminderen. Ook wordt pijnbestrijding toegepast bij dieren die een kleine ingreep ondergaan.

Ernstig ongerief

Bij 0,3 procent van de dierproeven is sprake van ernstig ongerief. Het gaat dan om het testen van de werkzaamheid van geneesmiddelen, waarbij dieren bepaalde symptomen hebben. Het induceren van die symptomen bij een dier kan leiden tot ‘ernstig ongerief'.

We testen geneesmiddelen tegen onder meer longfibrose en ter bestrijding van de gevolgen van intoxicaties. We kiezen in deze studies voor het vroegst mogelijke experimentele eindpunt, zodat de proef kan worden gestopt zodra acceptabele resultaten zijn bereikt en de dieren zo kort mogelijk ongerief ondervinden.

Controle

Alle dieren worden dagelijks gecontroleerd op ongerief en er is een speciale procedure als er een dier extra aandacht nodig heeft.

Dierenwelzijn belangrijk

We hebben dierenwelzijn hoog in het vaandel en zijn daarom in het bezit van een AAALAC-accreditatie voor de locatie in Leiden. AAALAC staat voor Association for Assessment and Accreditation of Laboratory Animal Care en is een wereldwijd geaccepteerde organisatie die via een vrijwillige accreditatie en beoordelingsprogramma dierenwelzijn wil optimaliseren. Dit gaat verder dan de minimale wettelijke eisen ten aanzien van dierproeven.