
Weten waar een signaal vandaan komt: lucht-eDNA en windmodellering
De monitoringsverplichtingen onder kaders als de EU-natuurherstelwet en het Kunming-Montreal Mondiaal Biodiversiteitskader groeien sneller dan de meetcapaciteit om ze bij te houden. Lucht-omgevings-DNA biedt een schaalbare uitweg, maar alleen als het antwoord geeft op één fundamentele vraag: waar komt het signaal eigenlijk vandaan? Nieuw onderzoek van TNO en de Universiteit Leiden toont aan dat winddata daarvoor een betrouwbaar houvast biedt.
Van detectie naar locatie
Van lucht-eDNA een werkbaar monitoringsinstrument maken vraagt meer dan aantonen dat genetisch materiaal van een soort in de lucht aanwezig is. Om de data bruikbaar te maken voor natuurbeheerders, toezichthouders of bioveiligheidsprofessionals, moet die informatie ook ruimtelijk te interpreteren zijn. Een signaal dat niet te herleiden valt naar een waarschijnlijk brongebied is een biologische waarneming, maar nog geen meting.
Precies daar liep lucht-eDNA tot nu toe tegen zijn belangrijkste beperking aan. Biologische deeltjes die dieren afscheiden worden door de wind verspreid, door turbulentie gemengd en op wisselende afstanden afgezet. Dat levert een complex moleculair signaal op. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat lucht-eDNA betrouwbaar detecteerbaar is, maar de vraag of een signaal afkomstig is van een dier op 30 of 300 meter afstand bleef onbeantwoord. Die onzekerheid beperkt de bruikbaarheid juist op de terreinen waar de technologie het meest relevant is: ruimtelijke ordening, habitatbeoordeling, bewaking van invasieve soorten en pathogenenmonitoring.
Een gecontroleerd experiment in Rotterdam
Om dit vraagstuk direct aan te pakken, ontwierpen onderzoekers van TNO en het Instituut voor Milieuwetenschappen van de Universiteit Leiden een veldexperiment in Diergaarde Blijdorp, een van de grootste dierentuinen van Nederland. De opzet is methodologisch sterk: een dierentuin biedt bekende soorten op bekende locaties, waardoor precies te toetsen valt of een meetmodel correct voorspelt waar een detectie vandaan komt.
Gedurende drie weken in het voorjaar van 2024 werden passieve lucht-eDNA-samplers opgesteld op vijf locaties verspreid over het 34 hectare grote terrein. Anders dan actieve, pompgestuurde samplers bewegen deze apparaten mee met de luchtstroom en vangen ze uitsluitend materiaal op uit de lucht die erdoorheen passeert, wat ze bij uitstek geschikt maakt voor directionele analyse. De samplers draaiden gelijktijdig op alle locaties en werden opgehaald na inzetperioden van 6, 24, 48, 72 en 96 uur, goed voor 75 monsters in totaal. Het gewonnen DNA werd geanalyseerd met twee genetische markers gericht op gewervelde dieren, wat per sampler en per tijdvenster een soortenlijst opleverde.
Winddata bepaalt de herkomst van signalen
Het onderzoek paste twee modellen toe om vangstgebieden te schatten: de gebieden waaruit lucht-eDNA gedurende de inzetperiode elke sampler kon bereiken. Het eerste, het Cirkelmodel, berekende op basis van gemiddelde windsnelheid en -richting van een nabijgelegen KNMI-weerstation een sectorvormige zone stroomopwaarts van elke sampler. Het tweede, het Voetafdrukmodel, maakte gebruik van rijkere atmosferische data uit de Copernicus ERA5-reanalysedataset, met inbegrip van terreinruwheid, grenslaagdynamiek en richtingsafhankelijke variaties in windsnelheid.
De resultaten zijn consistent en praktisch veelzeggend. Op afstanden tot 100 meter viel elke via lucht-eDNA gedetecteerde soort binnen het voorspelde vangstgebied van de betreffende sampler. Op afstanden tot 200 meter verklaarden beide modellen circa 80 procent van alle detecties. Daarbuiten daalde dat aandeel, vermoedelijk door alternatieve transportmechanismen zoals turbulentie rond gebouwen, resuspensie of menselijk verkeer binnen de dierentuin.
Over alle meetafstanden tot 655 meter lag de algehele nauwkeurigheid van beide modellen tussen de 60 en 62 procent. De detectieverhouding binnen de gemodelleerde vangstgebieden was consistent zes tot zeven keer hoger dan daarbuiten, wat bevestigt dat windrichting en windsnelheid de dominante factoren zijn bij het lokale transport van lucht-eDNA.
Eenvoudige modellen doen het even goed
Een van de meest praktisch relevante bevindingen is dat het eenvoudigere Cirkelmodel, dat alleen standaard weerstatiegegevens nodig heeft, even goed presteerde als het meer data-intensieve Voetafdrukmodel. Meer micrometeorlogische detail leidde op lokale schaal niet tot betere voorspellingen.
Dat is goed nieuws voor de praktijk. Weerstations zijn verspreid over heel Nederland en Europa. De infrastructuur om betrouwbare vangstgebiedschattingen te maken voor lucht-eDNA-monitoring is er dus al. Gespecialiseerde instrumentatie ter plaatse is niet nodig, wat de kosten en logistieke complexiteit van opschaling naar operationele monitoringsprogramma's aanzienlijk verlaagt.
Ook de bemonsteringsduur bleek bepalend. Elke verdubbeling van de inzetperiode verhoogde de kans dat een soortdetectie binnen het voorspelde vangstgebied viel met circa 57 procent. Samplers die 48 tot 72 uur draaiden, leverden de meest stabiele resultaten op en bieden daarmee een praktische leidraad voor het standaardiseren van verzamelprotocollen in toekomstige toepassingen.
Ruimtelijke interpretatie als meetdiscipline
Dit onderzoek is een directe toepassing van TNO's expertise in atmosferische modellering en luchtkwaliteitswetenschap op het opkomende veld van biologische monitoring. Dezelfde methodologische aanpak die ten grondslag ligt aan TNO's werk op het gebied van pollutantenverspreiding, brontoeschrijving en netwerkgebaseerde luchtkwaliteitsmonitoring is hier ingezet voor een nieuw vraagstuk: de ruimtelijke interpretatie van lucht-eDNA.
Het resultaat is een gevalideerd, overdraagbaar raamwerk. Door passieve samplerdata te combineren met meteorologische gegevens is het mogelijk om met aantoonbare zekerheid de ruimtelijke voetafdruk te bepalen waaruit een lucht-eDNA-meting haar signaal put. Op korte afstanden tot 200 meter is die zekerheid groot. Op grotere afstanden komen aanvullende transportmechanismen in beeld die onzekerheid introduceren en die toekomstig onderzoek verder moet uitwerken, waaronder seizoensgebonden variatie in windpatronen, soortspecifieke emissieraten en de invloed van deeltjesgrootte op de verblijftijd in de atmosfeer.
Het onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van TNO's bredere programma om lucht-eDNA te ontwikkelen tot een geloofwaardige en interpreteerbare meettechnologie. Het is gepubliceerd in het peer-reviewed tijdschrift Environmental DNA (Stewart et al., 2026) en vrij toegankelijk.
Van onderzoek naar toepassing
De praktische implicaties reiken breed. Voor natuurbehoud en regulatoire rapportage biedt de mogelijkheid om een lucht-eDNA-signaal te herleiden naar een brongebied binnen circa 100 tot 200 meter benedenwinds werkelijk nieuwe perspectieven: continue, niet-invasieve detectie van beschermde of invasieve soorten in landschappen die met conventionele surveymethoden niet efficiënt te bestrijken zijn.
Voor de landbouw kan hetzelfde raamwerk vroege detectie ondersteunen van plantpathogenen of plaagsoorten, waarbij de richting en nabijheid van een signaal bepalen hoe urgent en waar een beheerrespons nodig is. Voor biosecurity en volksgezondheid biedt windgeïnformeerde vangstgebiedmodellering de ruimtelijke grondslag om lucht-eDNA te transformeren van experimentele techniek naar een instrument dat beslissingen kan ondersteunen.
Vervolgstappen zijn onder meer het testen van de modellen over verschillende seizoenen, het verlengen van de analyse naar grotere detectieafstanden en het opbouwen van datasets over eDNA-emissieraten en deeltjesgedrag. TNO werkt daarvoor actief aan samenwerkingsverbanden met omgevingsmonitoringsinstanties, adviesbureaus en sectororganisaties.
Meer informatie
Werk je aan biodiversiteitsrapportageverplichtingen, ontwikkel je biologische monitoringsdiensten of verken je lucht-eDNA als instrument voor agrarische of volksgezondheidssurveillance? TNO gaat graag het gesprek aan. Neem contact op met ons eDNA-team om te bespreken hoe ruimtelijke modellering jouw monitoringsdata interpreteerbaar en beslissingsklaar maakt.
Neem contact met ons op
Laat je verder inspireren
Internationale samenwerking buiten Europa


eDNA


TNO en RIVM zetten stikstofmeetnetwerk op bij Nieuwkoopse Plassen


Rapport: Meetaanpak Houtrook


Roet in lucht blijkt goede indicator voor houtstook


