
Nederland loopt achter met R&D, en over tien jaar betalen we daar de prijs voor
Wat is er nodig om ervoor te zorgen dat Nederland structureel meer aan Research & Development (R&D) gaat uitgeven? Daar heeft het kabinet een actieplan voor opgesteld. Een goede ontwikkeling, want R&D is de belangrijkste aanjager van innovaties. Daarbij staat er nogal wat op het spel. Want als we minder innovatief worden, raakt dat niet alleen onze economie en daarmee onze welvaart, maar ook zaken die belangrijk zijn voor ons welzijn.
Vrijdag 9 oktober stuurde het kabinet het actieplan voor de 3%-doelstelling naar de Tweede Kamer. De boodschap is zorgelijk: Nederland investeert te weinig in onderzoek en ontwikkeling (R&D), en na 2028 dreigt het nog verder terug te lopen. TNO berekende wat er nodig is om het tij te keren: €40 miljard extra in vier jaar. Waarom is dat geld zo hard nodig? En wat gebeurt er als we niets doen?
Al 25 jaar onder de norm
In 2002 spraken de EU-landen iets af: we geven 3% van ons bbp uit aan R&D. Bijna een kwarteeuw later zit Nederland op zo’n 2,3%. In al die jaren zijn we nooit boven de 2,4% gekomen. Lange tijd viel dat niet zo op, want vergelijkbare landen bleven ook onder de 3%. Maar het speelveld is veranderd. België, Duitsland en Denemarken zitten inmiddels boven de 3%. En in andere regio’s van de wereld zoals de VS en Azië gaat het nog vele malen harder. Nederland blijft achter.
Uit het actieplan blijkt dat de R&D-uitgaven in 2025 nog licht stijgen. Maar dat is van korte duur. Regelingen voor het aanjagen van R&D worden aangepast of lopen af - zoals het Nationaal Groeifonds. Daardoor dreigt het percentage na 2028 sterk te dalen. De afstand tot andere innovatieve landen wordt dan alleen maar groter.
Wat staat er op het spel?
Nederland heeft de komende jaren veel geld nodig. Door de vergrijzing zullen de zorgkosten flink stijgen. We moeten ons aanpassen aan klimaatverandering. En geopolitieke spanningen vragen om meer investeringen in veiligheid. Die rekeningen moeten ergens van betaald worden.
Tegelijk komen er steeds minder mensen bij op de arbeidsmarkt. We moeten dus met minder mensen meer werk zien te verzetten. “Dat lukt alleen als we slimmer gaan werken”, benadrukt Marcel de Heide, hoofdeconoom bij TNO. “Hoe? Door betere producten, slimmere processen en meer automatisering. Daar is nieuwe kennis voor nodig, en dat is precies waar R&D zich op richt. R&D is voor Nederland de meest effectieve manier om productiever te worden.”
Ons probleemoplossend vermogen vergroten
R&D levert niet alleen geld op. Het draagt ook bij aan het oplossen van problemen. Denk aan nieuwe kennis over schonere en veiligere productieprocessen. Of nieuwe kennis op het vlak van recycling, zodat we minder nieuwe grondstoffen nodig hebben. Ook kan R&D kennis opleveren die bijdraagt aan oplossingen voor het overvolle stroomnet en de stikstofproblematiek. Om maar wat voorbeelden te noemen.
Groei zonder dat het ten koste gaat van onze levenskwaliteit: dat kan dus. Als we er nu in investeren. En er ook in blijven investeren.
Wat R&D oplevert: het voorbeeld van ASML
Hoe ziet R&D er in de praktijk uit? Neem de meest geavanceerde chipmachines van ASML. Daarin schiet een krachtige laser 50.000 keer per seconde op druppeltjes tin. Die worden zo heet dat ze uiteenspatten en extreem ultraviolet (EUV) licht uitzenden. Via speciale spiegels gaat dat licht naar een siliciumwafer, waarop het de patronen voor chips drukt. Dat idee ontstond niet in één brainstorm. De benodigde kennis om dit te laten functioneren was het resultaat van tientallen jaren onderzoek. ASML, partners en leveranciers investeerden daar veel in. Ze kregen hulp van kennisinstellingen, waaronder TNO. Ook kregen ze financiële steun van de overheid. Zonder die steun had ASML waarschijnlijk niet gestaan waar het nu staat.
Maar hoe groot een voorspong ook is: wie stilstaat, wordt vroeg of laat ingehaald. ASML blijft daarom volop in R&D investeren om haar machines steeds verdere te verbeteren en zo haar positie te behouden. In 2024 ging het om een bedrag van ruim drie miljard euro in Nederland zelf: meer dan de rest van de top 10 bedrijven die in Nederland in R&D investeren tezamen.
‘Maar ASML kan dat toch zelf betalen?’
“Dat horen we vaak”, geeft De Heide aan. “In theorie klopt het, maar de praktijk is grilliger. Bij R&D weet je vooraf namelijk niet of het iets oplevert. Veel onderzoek mislukt. Zo had ASML ontelbare pogingen nodig voordat het idee met de laser, tindruppels en spiegels werkte.”
“Voor een deel is dit ondernemersrisico”, vervolgt hij. “Maar er zijn ook situaties waarbij duidelijk is dat Nederland als geheel op termijn veel profijt heeft van bepaald onderzoek, terwijl individuele bedrijven het risico te groot vinden, en twijfelen over de potentiële opbrengsten in verhouding tot de kosten. Dan is het gerechtvaardigd dat de overheid meefinanciert.”
Wat we nu besparen, betalen we later
R&D richt zich vaak op complexe vraagstukken die om een totaal andere benadering vragen. En dat kost tijd. De Heide: “Het duurt vijf, tien of soms twintig jaar voordat nieuwe kennis het verschil maakt. Trek dat door naar de toekomst en het wordt ongemakkelijk. Geld dat we nu besparen op R&D voelt vandaag misschien als winst. We trekken bijvoorbeeld geld uit om accijns op benzine te verlagen, in plaats van dat bedrag in innovatie te investeren. Maar over tien jaar betalen we de prijs: minder nieuwe bedrijven, minder goede banen en minder geld voor zorg, klimaat en veiligheid. Dat is geen denkbeeldig scenario. Het is slechts een kwestie van tijd voordat we de gevolgen voelen. En dat kan pijnlijk worden.”

“Het klinkt logisch dat bedrijven zelf in onderzoek investeren, maar de praktijk is weerbarstiger: veel R&D levert niets op en doorbraken vergen vaak talloze mislukte pogingen. Juist wanneer onderzoek op lange termijn grote maatschappelijke en economische waarde kan opleveren, maar voor individuele bedrijven te risicovol is, is het gerechtvaardigd dat de overheid mee-investeert.”
Wat moet er gebeuren?
“Om te beginnen moeten bedrijven in Nederland goed kunnen ondernemen. Dat vraagt om bepaalde randvoorwaarden, waar het nu juist aan schort. Er is weinig fysieke- en stikstofruimte. Op veel plekken staan bedrijven op een wachtlijst voor een stroomaansluiting. En de regeldruk is hoog. Dat maakt Nederland minder aantrekkelijk voor bedrijven die willen onderzoeken en innoveren.”
“Daarnaast kan de overheid R&D aantrekkelijker maken”, vervolgt De Heide. “Subsidies en belastingvoordelen verlagen de kosten van onderzoek, waardoor bedrijven meer durven te investeren. De overheid heeft hier dus een duidelijke rol. Dan is wel de vraag waar dat geld naartoe gaat. Alles inzetten op één sector waar we al sterk in zijn, zoals de chipindustrie? Of juist overal een beetje? Als TNO raden we allebei af. Beter is het om te investeren in meerdere kansrijke sectoren. Zo houd je focus, maar spreid je het risico.”
“Ten slotte moeten we durven onze economie te vernieuwen. Alleen zo houden we ons verdienvermogen op peil. Dat hebben we niet alleen nodig om de rekeningen te blijven betalen, maar ook om te kunnen investeren in veiligheid, gezondheid en welzijn. Voor ons én voor de generaties na ons.”
Politiek lef
R&D is voor politici een lastig onderwerp. Wat het oplevert, weet je vooraf niet. En de resultaten zie je pas na jaren. De verleiding is dan groot om geld voor R&D uit te geven aan iets wat sneller verlichting geeft. “Dat gebeurt helaas regelmatig”, geeft De Heide aan. “Het kabinet heeft zich eraan gecommitteerd om 3% van ons bbp uit te geven aan R&D, zo lezen we in het coalitieakkoord. We zijn er nog lang niet, terwijl andere landen fors investeren.”

“Als we ons verdienvermogen op peil willen houden, moeten we blijven investeren in vernieuwing. Daarmee betalen we niet alleen de rekeningen van vandaag, maar creëren we ook de ruimte om te investeren in onze veiligheid, gezondheid en welvaart van morgen.”
Hoe het ook kan
Als het om Europese R&D-kampioenen gaat, noemt De Heide expliciet België. “Daar wordt maar liefst 3,5 procent van het bbp aan R&D uitgegeven: het hoogste percentage van Europa. Het grote verschil met Nederland is dat de Belgische overheid heel consistent is als het gaat om het aanjagen van R&D-uitgaven. En dat terwijl België, net als Nederland, een grote dienstensector heeft en relatief weinig industrie. Het argument dat hogere R&D-uitgaven in ons land niet nodig zijn omdat we weinig produceren, gaat dus niet op.”
En als er één les is die Nederland van België kan leren, dan is dat volgens De Heide in één enkel woord samen te vatten: “Consistentie!”.
“Het is niet zo dat Nederland nooit probeert om R&D een impuls te geven. Het Nationaal Groeifonds is daar een goed voorbeeld van. Maar dat stopt dan op een gegeven moment weer. En bij R&D is dat funest. Want dan zie je even een piek, maar daarna weer een daling. En dat is precies wat er momenteel aan de hand is. Maar het is nog niet te laat om te voorkomen dat wij hier in Nederland over 10 jaar de prijs voor betalen. Alleen moeten we dan wel snel zorgen voor de juiste randvoorwaarden, en voor beleid dat niet meer zigzagt, maar waarbij ons land jaar na jaar 3% van het bbp in R&D investeert, of zelfs meer.”
Wat is R&D eigenlijk?
Het CBS meet de Nederlandse R&D-uitgaven volgens de regels van de OESO, zodat we ze goed kunnen vergelijken met andere landen. Een activiteit telt als R&D wanneer er op een creatieve, systematische en planmatige manier wordt gezocht naar de oplossing van een praktisch probleem. Of wanneer bestaande of nieuwe ideeën worden uitgewerkt tot producten of processen die echt werken. Korter gezegd: R&D is het maken van nieuwe kennis.
Neem contact met ons op
Laat je verder inspireren
Mobiele metingen brengen stalemissies in beeld


Ultrafijnstof in Noord-Brabant


Brightlands Circular Space geopend: TNO helpt bedrijven plastic innovaties sneller opschalen


Van testlab naar digital twin: hoe TNO warmtepompen slimmer maakt


Productgroepanalyse


